Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen

donderdag 25 maart 2021

Marcel

Marcel poseert voor de schoolfoto. Zijn houding is wel een beetje raar. Zijn voeten staan in een andere richting dan de rest van zijn lijf. Alsof hij van plan is om zo snel als mogelijk weg te lopen. Om te vluchten voor al zijn miserie. Of om te gaan sjotten, dat kan ook.

Zijn naam staat in grote schoonschriftletters op die rare schoolfoto van het derde studiejaar. Zijn naam op die foto waarop hij – eind jaren veertig – om god-weet-welke reden poseert met scheve voeten. Zijn naam op die foto. Alsof hij die er in sierlijke letters zelf op heeft geschreven. Alleen zijn naam. Marcel. 

Daarnaast prijkt wel een grote inktvlek – misschien omdat de letters té schoon geschreven waren, té mooi om waar te zijn. Een vlek dus. Want hij is niet perfect, Marcel. En zijn leven is dat evenmin. 

Het leven van Marcel is er niet eentje dat zich laat samenvatten in onberispelijke Instagramfoto's. Het leven van Marcel is niet vlekkeloos verlopen. Het is verre van perfect, maar net daarom ook zo gewoon.

Ja, Marcel sprong af en toe wat kwistig om met het leven. Hij was zo nu en dan wel wat morsig. En dat veroorzaakte vlekken. Op het blazoen. Maar even vaak kreeg Marcel van het leven zelf een veeg uit de pan. En ook dat liet sporen na. Letterlijk. Zichtbaar.

Ik vertel het verhaal van Marcel omdat het stilaan begon te ukselen om het te vertellen. Omdat het het vertellen waard is. Omdat ook in de onvolmaaktheid schoonheid zit. Naast verdriet. En ontroering. Maar toch vooral schoonheid.

Ik vertel het verhaal van Marcel ook omdat ik het op die manier wil bewaren, omdat ik het me zo wil blijven herinneren. Het verhaal van Marcel. Het verhaal van mijn vader.

Tachtig jaar, samengevat in 40 minuten. "Want 't gaat allemaal zo rap, hé, 't leven..."



P.S. 1: Tip: blijf zeker kijken tot na de aftiteling.
P.S. 2: Nu we al een jaar kampen met een chronisch gebrek aan culturele creaties, krijg je deze voorstelling van mij cadeau. Doe mij dan ook een plezier, alsjeblieft, en laat me hieronder weten wat je ervan vindt.

dinsdag 20 december 2016

Hashtag eczeem

Af en toe kan een mens beter eens lachen met zijn miserie. Omdat er al genoeg geklaagd wordt.

Recent deed ik zelf ook een poging tot zelfspot. In onze comedyshow De Taalsmid genaamd (een jaarlijkse productie die eind 2016 al aan de 17de editie toe was, gebaseerd op legendarische radio- en tv-programma's als De Rechtvaardige Rechters en Alles kan beter).

In een van de liedjes die ik maakte voor de show, schreef ik wat eczeemfrustraties van mij af. Niet dat het heeft geholpen tegen de uksels, maar ik heb er wel drie avonden lang mensen mee aan het lachen gebracht. En dat geeft op z'n minst een fijn gevoel, alle uksels ten spijt.


vrijdag 26 december 2014

Twieë druppels water

Ik had hem 'peter Steenweg' kunnen noemen, 'peter Drukkerij' of 'peter René'. Maar het werd gewoon 'peter'. 'Mijn' peter.

De peter waarvan ik welgeteld drie foto's heb:
  • eentje waarop hij assisteert bij mijn doopsel, goed 45 jaar geleden
  • eentje waarop hij naast mij aan de feestdis zit ter gelegenheid van mijn plechtige communie, in 1981
  • en eentje van hem al speechend, tijdens de première van mijn eigen liedjesprogramma, eind 1998

Tot zover de tastbare herinneringen, al zitten er nog veel meer beelden opgeslagen op de harde schijf van mijn brein...

woensdag 13 augustus 2014

Obelix en de pannenkoeken

Regen. Véél regen. Dat is dé reden waarom heel wat mensen Bretagne vaak al bij voorbaat schrappen van hun lijstje met potentiële vakantiebestemmingen. Het is het grootste vooroordeel waarmee de Bretoenen zelf de spot drijven, onder meer op de talrijke grappige postkaartjes die in dit meest westelijke 'uitsteeksel' van la douce France te koop worden aangeboden.

Tijdens ons recentelijk verblijf rond de golf van Morbihan zijn we welgeteld 20 minuten geplaagd geweest door hemelvocht. Het zuidelijke deel van Breizh, zoals deze regio in het plaatselijke taaltje wordt genoemd, krijgt naar verluidt jaarlijks zo veel uren zon als de Azurenkust. En al die stralen hebben wij met graagte op onze bleke huid laten schijnen.

maandag 3 februari 2014

Goed gezelschap

Het was zo'n half jaar geleden dat ik nog in onze parochiekerk was geweest. Voor de begrafenismis van onze buurman. Maar nu was de aanleiding prettiger: een midwinterconcertje.

Veel dichter bij je huis kan cultuur niet komen wanneer je amper enkele honderden meters moet lopen om je vervolgens zo'n anderhalf uur lang te laten onderdompelen in een bad van sfeervol gezang.

Jorunn en Annelies (2de en 3de van link op de 2de rij) én Soetkin Collier 
(3de van rechts onderaan): ik (helemaal links onderaan) verkeerde 
in goed gezelschap in augustus 1996. 

zondag 22 december 2013

Kleine meisjes worden groot

Seulement pour le plaisir des yeux. Zo heette de theaterproductie waarin ik voor het laatst acteerde - omdat de toneelmicrobe niet meer zo hard kriebelde.

Het was eind april 1999 en we speelden in de Gentse Tinnenpot.

Daar heb ik haar leren kennen. Als een van mijn medespeelsters. Als een klein meisje, nog. Amper 14 jaar. Zij uit Merchtem - waar ik tot dan in een theatergezelschap actief was - en ik uit Asse. Ik speelde taxi voor haar, om samen naar de repetities in de Arteveldestad te rijden. En ik zette haar nadien netjes thuis af.

Georges Perec
Seulement pour le plaisir des yeux was een bewerking van de imposante roman La vie mode d'emploi van Georges Perec (1936-1982). Het magnus opus van de Pools-Franse auteur is een verzameling van honderden verhalen van evenveel bewoners van een Parijs' appartementsgebouw. De jonge regisseur Katrin Verlende zette twaalf van die personages op scène. Om ze daar hun leven te laten inrichten. Om ze daar over hun leven te laten vertellen. Als in een micro-maatschappij, waarin iedereen vooral naast elkaar leeft.

Ik kroop voor de gelegenheid in en onder de huid van Adrien Jérôme, een uitgebluste schrijver die ooit succes had maar later de kost moest verdienen met het vertalen van kindergedichtjes. En zij, zij speelde een van de zusjes Breidel, de jongste bewoners van het pand, wier ouders waren vermoord.

Vorig jaar pas heb ik haar teruggezien. Ruim dertien jaar later - ondertussen was ze een volleerde actrice én zangeres geworden. Het was op tv, nota bene. In Iedereen Beroemd, de opvolger van het ongeëvenaarde Man Bijt Hond. Ze mocht het programma één dag per week uitgeleide doen. Met een ukeleleliedje.

En ik dacht: 'Kleine meisjes worden groot. En grappig.'

Ze heeft nu een heuse single uit. Met Nele Needs a Holiday, de meidengroep waarmee ze in 2010 al de jury van Humo's Rock Rally charmeerde. Háár meidengroep.

Nele maakt liedjes over gênante of eerder tragikomische situaties waar ze blijkbaar een patent op heeft (althans, dat wil ze ons toch doen geloven). Liedjes over dingen die mislopen. Over dingen die ze beter niet had gedaan. Zoals extreem opvallend uit de bol gaan, met - naar eigen zeggen - 'zeer subversieve danspassen', op een feestje waar dat niet echt wordt geapprecieerd.

Daar gaat haar recentste liedje over.

Of ik het clipje dat bij die single hoort, wilde delen op Facebook, vroeg ze. 'Ik zal dat eerst eens aandachtig en kritisch bekijken', dacht ik. En ik vond het hilarisch.

Maar u hoeft me niet op mijn woord te geloven. Oordeel zelf (en geneer u niet voor de plaatsvervangende schaamte: 't is maar om te lachen).

dinsdag 10 december 2013

Madiba

Madiba 1918-2013
Madiba is dood en begraven. Wereldleiders uit de vier windstreken brachten de eerste zwarte president van Zuid-Afrika nog een laatste eresaluut. En ik, ik moest tijdens de begrafenis van Nelson Mandela denken aan de eerste twee weken van december 2007. Toen zat ik met een bende jonge maar getalenteerde muzikanten zelf in Zuid-Afrika. Voor het Southern Wind-project, met een blank jeugdorkest van bij ons (Transpiradansa!) en zwarte zanger(e)s(sen) van ginder. 

Het werd een onvergetelijke trip. Al moest ik bij het heengaan van hét symbool van de strijd tegen de apartheid vaststellen dat de herinneringen aan dat prachtige land vol tegenstrijdigheden al serieuze vervagingsverschijnselen beginnen te vertonen.

Gelukkig heb ik van die orkestreis enkele dagboeknotities bijgehouden. Ik heb ze nog eens opgediept en doorgenomen. En het begon alweer te kriebelen om nog eens naar ginds af te reizen...

Tranpsiradansa! met Southern Wind

Aan de ene kant van de snelweg een nette wijk met relatief kleine maar mooie huizen, allemaal afgeschermd met een hek en - zoals in alle betere wijken - daarop de naam van de beveiligingsfirma die er de bewaking waarneemt. Aan de andere kant van diezelfde snelweg een krottenwijk, met in golfplaten opgetrokken barakken. Veel contrasterender kon het beeld bij het binnenrijden van Johannesburg nauwelijks zijn.

Een wolkbreuk die de straten in een mum van tijd blank zet. Meer zelfs: een regenval die zo hevig is dat een bruine waterstroom alle verkeer quasi onmogelijk maakt. Ook dat is Zuid-Afrika.

We ondervonden het bij ons bezoek aan het Ipelegeng-centrum in Soweto. Soweto is de South Western Township van Johannesburg waar de zwarte bevolking in de beginjaren van de Apartheid, bijna zestig jaar geleden, naartoe werd gedreven. Jo’burg was toen dé stad van de goudontginning. Zwarten werden er door de blanke industriëlen uitgebuit: ze moesten er werken in miserabele omstandigheden voor bijna geen geld. Van heinde en verre kwamen ze naar Johannesburg maar huisvesting kregen ze er aanvankelijk niet. Het ontstaan van de township was – hoe pover de behuizing ook – een resultaat van één van de vele sociale ‘struggles’ van de autochtone bevolking in de naoorlogse jaren.

Op weg naar Soweto hebben we eindelijk, het échte Zuid-Afrika gezien. Johannesburg is, let’s face it, een vrij westerse stad. Het is maar bij het verlaten van het centrum en het binnenrijden van de buitenwijken dat je het echte plaatje te zien krijgt. De barakken waarin de zwarten wonen, de kinderen die op straat spelen zonder westers of ander speelgoed, de mensen die noodgedwongen het grootste deel van de dag op straat doorbrengen, de armen die op de vuilnisbelt op zoek gaan naar nog bruikbare materialen, een huwelijk – jawel – dat door heel de wijk luidruchtig wordt meegevierd... We kregen het in nauwelijks een halfuur tijd allemaal voorgeschoteld.

We konden ter plekke uiteraard ook niet buiten twee musea over het meest verschrikkelijke deel van de recente Zuid-Afrikaanse geschiedenis...

We bezochten het Apartheidsmuseum. Van een aangrijpende belevenis gesproken. Met videobeelden, pancartes, beelden, verhalen en authentieke documenten, in een heel indrukwekkende setting, liepen we zo door enkele decennia van rassensegregatie én kregen we bovendien de historische achtergronden van een van de meest afschuwelijke politieke systemen van geïnstitutionaliseerd racisme voorgeschoteld. Onze zwarte zanger(e)s(sen) wilden niet mee naar binnen. "Een té emotionele belevenis", klonk het.

Nadien naar het Hector Peterson-museum gereden – na ruim een halfuur wachten omdat de straten zo goed als overstroomd waren. Alweer een beklemmende ervaring. De 13 jaar jonge knaap naar wie het museum werd genoemd, was maar één van de 565 jongeren die op 16 juni 1976 omkwam toen de politie het vuur opende op een massabetoging van zwarte scholieren. Die protesteerden tegen het feit dat ze hun lessen biologie, aardrijkskunde of wiskunde niet alleen in het Engels – voor hen, na onder meer het Zulu ook al een tweede taal – maar voortaan ook in het Afrikaans zouden krijgen (de taal die door de Nederlandse kolonisator al in de 17de eeuw in het zuiden van het zwarte continent
werd ingevoerd).

Internationals, nota bene - speelde zich een ontroerend moment af. Op een van de laatste nummers begon een oudere dame helemaal alleen voor het podium te dansen.

Mama Soweto
Toen we aan het eind van onze concertreis in een uitgeleefd zaaltje in de sloppenwijken van Soweto een concert mochten spelen - samen met de Vlaamse band

Onze dirigent kreeg er zowaar tranen van in de ogen. En ik, ik heb er een foto van genomen. En bij terugkomst, in ons koude Belgenlandje, heb ik er een liedtekst over geschreven, later nog ingezongen en opgenomen door onze Zuid-Afrikaanse vrienden. Want alleen zij konden zo goed de hoop vertolken in de blues van een song.



De blues is niet verdwenen met het afschaffen van de apartheid.
Met het heengaan van Madiba zal (hopelijk) ook de hoop niet verdwijnen.


Mama Soweto

A sunny Jo’burg
Soweto Sunday
When you were dancing
While we just played our song

Y’looked like the old girl
Who walks the Streets of London
With clothes as rags that fit in two bags
Like everything you own

Your flashy worn out sneakers
Never did take you elsewhere
Like fate did never lead you
to grief or to despair

So you keep dancing, Mama
As lonely as you do
And we’ll keep tryin’ to join you in chantin’:
“Amandla awethu” 


woensdag 24 juli 2013

Een zweterige zwanenzang

Karel Waeri (1842-1898).
Een zomerdag met tropische temperaturen is niet meteen het uitgelezen moment om je terug te trekken in een snikheet theaterzaaltje. Tenzij het Gentse Feesten zijn, dat zaaltje de Minard is, en een vriend van jaren er een voorstelling speelt. Over Koarelke Waeri (1842-1898), een Gentse volkszanger met een nalatenschap van ruim 500 liederen, waaronder heel wat 'vuile' en 'vettige' (in Waeri's thuishaven 'vetjes' genoemd). Dat 'rode oortjes'-repertoire bewaarde hij tijdens zijn optredens steevast voor de late uurtjes; na zijn dood werden ze (uit schroom) in een apart bundeltje verzameld en verkocht.

Acteur en muzikant van dienst: Wim Claeys. De trekzakspeler die eind jaren negentig met Ambrozijn als meedogenloze nieuwlichter het stof van de Vlaamse volksmuziek blies. De Boombal-bedenker die met zijn vuile maar getalenteerde voeten een geactualiseerd spoor trok door de toenmalige balscene en zo de weg wees aan een nieuwe generatie jongeren die de de folk en de bijhorende danstraditie ontdekte. De folkmodernist is echter nooit de 'wegbereiders' van weleer vergeten: met het vorderen der jaren lijkt ook zijn respect voor het muzikale erfgoed te zijn toegenomen.

Wim vervelde van muzikant
tot cabaretier.
Wim vervelde de jongste jaren zoetjesaan tot een cabaretier, wat niet mag verwonderen: bij Ambrozijn voelde hij zich ook al geroepen de grapjas uit te hangen en het publiek tussen de nummers door menig blaasken wijs te maken. "Het heeft er altijd al in gezeten, madame."

Hadden we na Wims eerste onemanshow Niet tevreden, geld kwijt nog zoiets van 'schoenmaker blijf bij je leest', na het zien van De zwanenzang van Karel Waeri kan de Gentenaar wat ons betreft zijn theatertoekomst met een pak meer vertrouwen tegemoet zien.

Het Waeri-standbeeld van Walter De Buck.
Anderhalf uur lang kruipt de prille veertiger in de huid van de legendarische volkszanger aan wie de al even vermaarde strop Walter De Buck bijna 15 jaar geleden een ruim 5 meter hoog robuust beeldhouwwerk wijdde. Dat staat sindsdien in de Arteveldestad te pronken naast de Sint-Jacobskerk: bovenop de massieve, granieten zuil pronkt vioolspeler Waeri, met onder zich, in hoogreliëf, de kenmerkende figuren die zijn liedjes bevolkten. Miljoenen mensen liepen er al straal voorbij. Wij deden na de opvoering met plezier een klein omwegje om er nog even, letterlijk, bij stil te staan. Op vraag van Wim Claeys, trouwens.

Die had genoeg aan een oud vloerkleed als speelvlak, een tafeltje, een stoel en een kastje met zijn instrumenten om vorm te geven aan het beperkte universum dat het bescheiden leven van Karel Waeri in de tweede helft van de 19de eeuw verbeeldde. Geboren in een arm gezin van wevers, in een van de vuilste buurten van het Gent van die tijd, mag het niet verbazen dat Koarelke het in al zijn liederen consequent opneemt voor de zwaksten in de maatschappij.

Net als het rijke oeuvre van Waeri is het programma dat Wim Claeys er over maakte één langgerekt protestlied tegen de twee grote K's tegen wiens schenen ook vandaag, zo'n 150 jaar na Waeri's beginjaren als kritisch volkszanger, nog gretig wordt geschopt: de Kerk en het Kapitaal. Dat maakt de voorstelling, voor de goede verstaander, nog brandend actueel.

Net zo min als een pompeus decor heeft de acteur/auteur veel changementen nodig om, af en toe, uit zijn Waeri-rol te stappen en vervolgens als verteller de vrij korte en dramatisch afgebroken levensloop van zijn alter ego te duiden. Hij hoeft daarvoor alleen maar zijn brilletje af te zetten en tijdelijk afstand te doen van zijn plat-Gentse tongval.

In die eerder minimalistische aanpak herkenden we alvast de hand van Mich Walschaerts, een van de Kommil Foo-broers. Hij slaagde er als coach in om van de muzikant Wim Claeys ook een acteur te maken. Eén die de humor die hem eigen is, durft te combineren met gedoseerde ontroering. Waeri was daar ook een virtuoos in, al bediende hij zich in zijn liedjesteksten net zo graag van bijtend cynisme en een vleugje ironie.

Die liedjes werden door de 19de-eeuwse volkszanger naar verluidt vertolkt met een krijsende neusstem en een krassende viool. Dan doet Wim Claeys het beter: met de hem vertrouwde diatonische accordeon ontpopt de instrumentalist van weleer zich tot een meer dan verdienstelijk vertolker van het oude repertoire (dat hij nota bene nog gedeeltelijk van nieuwe muziek voorzag, volledig in de stijl van de jaren stillekes).

De zwanenzang van Karel Waeri is een voorstelling die, door haar eenvoud, nooit zwaar wordt, hoewel de referenties aan de miserie en de uitbuiting van de textielarbeiders in het midden van de jaren 1800 niet van de lucht zijn. Het is een voorstelling die, ondanks de plezante luchtigheid waarmee ze is gebracht, blijft plakken. Net als het zweet van die zomerdag met zijn tropische temperaturen - de daardoor veroorzaakte uksels hebben we er voor één keer graag bij genomen.

donderdag 20 juni 2013

Spekvet en balein

Het was mei 2001. Ik lag op mijn bed in de huiskamer - ik zou er, met een hernia als boosdoener, negen weken aan gekluisterd blijven, mijn benen in een hoek van 90 graden op een stapel kussens gelegd, de achterdeur permanent open zodat bezoekers niet aan de voordeur hoefden aan te bellen en ik niet om de haverklap mijn bed uit moest. Talloze films heb ik toen bekeken, me toegestopt door vrienden. Tot vervelens toe. Om die ruim zestig dagen zonder al te veel verveling door te komen. Ik wou van pure frustratie om zoveel gedwongen onbewogenheid de muren opkruipen, al was zelfs dat me niet gegund, gezien mijn verplicht horizontale toestand.

Het was mei 2001. Ik lag op mijn bed in de huiskamer en twee muzikale vrienden kwamen zoals afgesproken langs de achterdeur binnen. De ene had ik midden jaren negentig als mondharmonicaspeler leren kennen via het kleinkunstgroepje waarmee ik af en toe optrad, de andere kende ik voordien vooral als leraar en begaafd pianist.

We hebben toen samen een lied gecomponeerd. Iets wat we als afsluiter konden gebruiken voor het humoristisch programma dat in juni van dat jaar in première zou gaan. We hadden op dat moment nog niet het vermoeden, laat staan de ambitie, om er meer dan een decennium later nog mee bezig te zijn.

Een pianist en een presentator: meer heeft een Taalsmid-panel niet nodig.
De Taalsmid. Zo doopten we onze show. Losjes geïnspireerd op het toenmalige populaire tv-programma De Rechtvaardige Rechters dat we lang niet zo geslaagd vonden als zijn gelijknamige voorganger op de radio. Onder het motto Alles kan beter (nog zo'n legendarisch, kolderesk tv-programma, van en met Mark Uytterhoeven) gingen we, niet gehinderd door enige bescheidenheid, dan maar zelf aan de slag. Met een vierkoppig panel, een pianist en een professionele presentator.

Grappen en liedjes maken met en over de actualiteit en de BV's en andere beroemdheden die erin opduiken, daarbij gezwind zwierend met wonderlijke woordspelingen en tegelijk menig dubbele taalbodem verkennend: zo kan je de onszelf opgelegde opdracht het best omschrijven.

Het maken van De Taalsmid werd voor ons een aangename verslaving, de voorstellingen zelf werden een instant publiek succes. Dat noopte ons al snel tot het inlassen van twee opvoeringen per show en, tot aan de tiende editie, van twee nieuwe shows per jaar. Maar in 2005 gaven we de pijp aan Maarten, legden we er het bijltje bij neer en gooiden we de handdoek in de ring. Kwestie van het concept niet uit te melken, van niet in herhaling te vallen, van in schoonheid te eindigen.

Tot nog eens vijf jaar later "de goesting bleef kriebelen en bomma's recepten tegen kriebelende jeuk uitgeput raakten", dixit het persbericht dat in 2010 werd verspreid naar aanleiding van De Taalsmid come(t)back.

Eind november dit jaar zijn we al aan de veertiende editie toe (momenteel al druk gepromoot op Facebook).

Van waar we onze inspiratie blijven halen? Die wordt ons dagelijks haast op de schoot gebracht - al dan niet afgeluisterd door Obama - vanuit de Wetstraat en het paleis van Laken, getransporteerd door de Fyra, indien nodig per express geleverd dankzij de Walibi-voorsteekpas.

En toch is taalsmeden vooral hard werken. De betreurde Nederlandse auteur Gerrit Komrij beschreef het woordengeworstel, waartoe wij onszelf jaarlijks veroordelen, ooit treffend in een gedicht met een voor ons wel heel herkenbare titel:

De Taalsmid

De klinker en de medeklinker zijn
De weke onderbuik en het korset
Dichter is hij die, schijnbaar zonder pijn,
Het vormeloze in de steigers zet.

Zijn woorden, corpulent of slank van lijn,
Verenigen zich vloeiend tot couplet.
De moeiteloosheid, niet het rookgordijn,
Is zijn geheim. Met taal gaat hij naar bed.

De taal, van A tot Z, is zijn fles wijn.
Halfdronken wordt er, zomaar voor de pret,
Een kind verwekt, een epos of kwatrijn,

Of iets daartussenin, zeg een sonnet,
Terwijl de lezer onbekend blijft met
Zijn worsteling met spekvet en balein.

Het was mei 2001. Ik lag op mijn bed in de huiskamer, te veel spekvet kwekend door dat probleem met een van de 'baleinen' in mijn rug. Twee muzikale vrienden kwamen zoals afgesproken langs de achterdeur binnen.

Twaalf jaar later zijn de twee vrienden er nog. Net als het gezamenlijk gecomponeerde lied en het programma waarvoor het bedoeld was.

En ook het spekvet is gebleven.

vrijdag 7 juni 2013

Jozef en Maria

"Raar toch, dat je ondanks twintig jaar zonder gemeenschappelijke activiteiten gewoon de draad weer oppikt en babbelt alsof die twintig jaar er nooit geweest zijn."

Het waren niet alleen twintig jaar zonder gemeenschappelijke activiteiten, het waren ook twee decennia zonder spontane ontmoeting, zonder mailtje, zonder belletje. Hoe kon het ook anders? In onze VUB-jaren, toen we haast dagelijks samen op de trein richting Etterbeek stapten, was er nog geen sprake van mail en internet, laat staan van gsm's. En nadien: ik haast 7 op 7 druk doende als beginnend freelance journalist, zij als beloftevol anesthesist, nadien een tussenstop makend down under en in Nederland. Dan lopen mensen elkaar al wat minder makkelijk tegen het stilaan ouder wordende lijf.

Maar opeens zaten we samen aan een tafeltje in een brasserie, in het hart van ons geboortedorp. Twintig jaar nadat we elkaar uit het oog en het hart waren verloren. Ware het niet dat de waardin ons een lekker diner en ettelijke uren later subtiel duidelijk maakte dat ze de zaak wilde sluiten, we zaten er misschien nog te kletsen.

We groeiden samen op in de plaatselijke harmonie. Als kinderen van de twee families die de muziekvereniging in die jaren schraagden. Het werd je als dreumes niet gevraagd of je een instrument wilde leren bespelen. Dat was een vanzelfsprekendheid. Als de muziekmicrobe niet vanzelf begon te kriebelen, dan werd het speelplezier er onder zachte dwang wel ingelepeld. Tot het toch elke week - op woensdagavond - begon te jeuken om naar de repetitie te gaan. Al had dat niet alleen te maken met de oefenstonde an sich. Het achterafmoment aan de bar was een minstens even grote motivator.

Mijn vroegste herinnering aan onze gedeelde kindertijd? Dat zij, verkleed als Maria, en ik, als Jozef, rond Kerstmis of Nieuwjaar op stap gingen met de jeugdharmonie om bij 'verdienstelijke' leden een serenade te brengen. We waren nog te jong en te klein om zelf mee te spelen maar wel fier dat we er bij konden zijn. Om de kas te bewaken en de gulle giften in ontvangst te nemen.

Goed twintig jaar en honderden repetities, optochten, concerten, festiviteiten en VUB-treintochten later, doken we het échte leven in. Er bleef, door het 'werkmansbestaan' en de vaak onmenselijke uren die we elk klopten, geen tijd meer voor de harmonie (hoewel ik haar ooit gezworen had daar nooit mee te zullen stoppen - een mens zweert wel meer dure eden als hij jong en onbezonnen is). En zo ging elk zijns weegs, de eigen passie achterna, de eigen toekomst tegemoet.

Een verjaardagsberichtje via Facebook heeft ons onlangs, nog eens twintig lentes later, weer 'aan de klap' gebracht. Doen afspreken. Doen bijpraten. Over werk en politiek. Over familie en relaties. Over brillen en gezondheid. Over grijze haren en een kaal hoofd.

"Alsof die twintig jaar er nooit geweest zijn", zoals ze het nadien omschreef (de grijze haren en het kale hoofd uiteraard gemakshalve buiten beschouwing gelaten). "Ge ziet wat dat doet, ne keer Jozef en Maria spelen: 't smeedt nen band voor 't leven."

Over koers hebben we het nog niet gehad samen, beiden liefhebbers van het wielrennen zijnde. Dat is iets voor deze zomer. Op ons terras. Bij een goed glas.

Hoe ze zich voor die ontmoeting moet verkleden, hebben we nog niet afgesproken. Ze zal wat creatief uit de hoek moeten komen want deze Jozef heeft in haar afwezigheid ondertussen zijn Maria-voor-het-leven al gevonden. Op haar heb ik bijna veertig jaar moeten wachten.

Een mens moet wat geduld hebben in 't leven. En chance.

maandag 22 april 2013

Tussen de scherven van het verleden

Theofiel Van Vaerenbergh, alias Manke Fiel (1889-1971).
Theofiel Van Vaerenbergh. Veel gewoner kon een naam in het naoorlogse Vlaanderen niet klinken. En hoe eenvoudig, bescheiden of naïef de man zelve ook was, toch staat hij in 'mijn' Asse nog altijd bekend als een opmerkelijk, uitzonderlijk figuur. Meer nog: in deze ondertussen sterk verstedelijkte gemeente tussen Brussel en Aalst werd de Erfgoeddag 2013 volledig aan hem gewijd. Aan Theofiel Van Vaerenbergh, alias Manke Fiel (1889-1971).

Niet dat ik de man nog heb gekend. Wat ik over hem weet, heb ik 'van horen zeggen'. En uit het boek dat mijn dooppeter schreef over deze zonderling.

Manke Fiel werd zo genoemd omwille van zijn stijve linkerbeen - hij had zelfs een fiets met maar één trapper. Fiel was een vrijgezel die om den brode zowel klompen als 'ziften' (zeven) maakte maar ook nettenwever, hovenier en herbergier was. Hij verhuisde in 1936 naar Terlinden, een nu nog groen en heuvelachtig stukje Asse, dicht bij de gemeentegrens met Ternat, dat niet voor niets 'klein Zwitserland' wordt genoemd en een paradijs is voor wandelaars - we ondervonden het afgelopen zondag nog eens met graagte aan den lijve, alle gevaren van het beginnend hooikoortsseizoen trotserend en de daarmee gepaard gaande jeuk negerend.

De kinderen kwamen zo'n zeventig jaar geleden ook al graag naar Terlinden. Om er te spelen. En om Manke Fiel te bezoeken, want die had een klein vijvertje met vissen. Omdat Fiel ne collectioneur was, brachten de kinderen kleinoden mee die ze thuis of op de tocht naar deze uithoek van hun dorp hadden gevonden: knopen, speldjes, oude munten, fietsplaten, kaarten of scherven van tegels, spiegels en aardewerk. Ze lieten met plezier een pot vallen om de stukken ervan aan Fiel te kunnen schenken. Die hield alles keurig bij en broedde op een plan. Hij zou er een museum mee maken. De scherven verwerkte hij, als een volkse versie van de Catalaanse architect Gaudi, in mozaïeken metselwerkjes. Niet omdat hij zichzelf als een kunstenaar zag, wel om de kinderen te plezieren. En om de door hen meegebrachte 'schatten' een onderkomen te gunnen.

Torentjes metselen voor de kinderen: Fiel ten voeten uit.
Zo ontstond zijn 'Museum de Varenberg' - de man kon nauwelijks zijn eigen naam correct schrijven. Een museum zonder thema, met een collectie die niet meer was dan een amalgaam van sabels en speren, geweren en pistolen, slangenvellen, postkaarten, schilderijtjes en andere 'inboedel' die dezer dagen de naam 'bezienswaardigheid' niet meer zou verdienen, maar die wel paste in een rariteitenkabinet waaraan in tv-loze tijden nog graag een bezoekje werd gebracht.

Veel meer dan een museum, echter, was Manke Fiels stekje een soort toevluchtsoord, een attractiepark waar kinderen zich te allen tijde konden komen vermaken. Door er op een minuscuul vijvertje te varen. Door van op een speciaal daarvoor gebouwde uitkijkpost zeven kerktorens te spotten. Door zich te vergapen aan de manier waarop Fiel 'hun' scherf in een nieuw bouwsel had vereeuwigd. Door zich te verbazen over een bloem die - dankzij een slimme trompe l'oeil-constructie van de conservator - in een waterput leek te bloeien. Of door er ne gêile limonâd te drinken of e stuk sjokolat te snoepen. En door er, later, af te spreken met het eerste liefje.

Fiel en zijn 'monica'.
En de volwassenen? Die kwamen ook met velen - zelfs schrijver Louis Paul Boon was een fan! Ze kwamen er verpozen, tijdens of aan het eind van een wandeling. Ze wilden zien waar hun kinderen zo graag rondhingen. Ze kwamen de constructies bewonderen die de grote kindervriend voor 'het nieuwe seizoen' had gefabrikeerd. En ze kwamen er liedjes zingen, door Fiel zelf begeleid op trekharmonica, met teksten die door Assenaren waren geschreven op populaire melodietjes als Het loze vissertje. Teksten die Fiel - van 'commerce doen' had hij wel verstand - aan het gewillige publiek verkocht voor 1 frank. "Merci, alstablieft", klonk het steevast.

De man mocht dan niet geschoold zijn, beleefd en respectvol was hij wel. Dat blijkt ook uit een van de geluidsopnames die van hem bewaard zijn gebleven, uit een interview met de Assese kunstschilder en heemkundige Karel De Bauw, ergens in de jaren zestig.


Hoe eerbiedig Manke Fiel met groot en klein omging, ongeacht rang of stand, zo triest is de manier waarop met zijn nalatenschap werd omgesprongen. Fiels levenswerk werd quasi onmiddellijk na zijn overlijden geplunderd, vernield en, letterlijk, op straat gezet. Niet echt een voorbeeld van oordeelkundig omgaan met lokaal erfgoed. Vandaag herinneren alleen de Muzeumstraat, het woonhuis zelf en een gedenksteen die er in 2009 werd onthuld nog aan de man die er generaties kinderen en ouders met open armen ontving en animeerde. Met of zonder trekzak.

Le Palais idéal du facteur Cheval.
Is het als collega-harmonicaspeler dat ik me wat verwant voel met deze volksmuzikant pur sang? Of is het zijn eerder poëtische architectuur en art brut die me - net als de befaamde architect Bob Van Reeth - aanspreekt? Zoals ook het Palais idéal du facteur Cheval me fascineert: een gigantisch 'monument van koppigheid' in het Franse Hauterive, in de Drôme-streek, het werk van een postbode die, een halve eeuw voor Manke Fiel, 33 jaar van zijn leven spendeerde aan de bouw ervan.

Als ik er zo over nadenk, is het vooral 's mans kinderlijke verwondering die me beroert. Een verwondering waar hij op zijn beurt al zijn bezoekers op trakteerde, de kinderen voorop. Een verwondering die in deze iPod- en iPad-tijden de allerkleinsten niet meer is gegund.

Met één muisklik of één vinger op het touchscreen van de smartphone krijgen we de meest fantastische maar ook de meest gore dingen te zien. We hebben alles en kunnen alles vinden, en vooral: we willen onze kinderen niets ontzeggen. Waardoor we hen net een van de meest kostbare dingen ontnemen: de verwondering.  Die zijn we zelf ook kwijtgespeeld. Ergens onderweg, op zoek naar de vooruitgang. Tussen de scherven van het verleden. Tussen de scherven van de bouwsels van eenvoudige lieden als Manke Fiel.

donderdag 14 maart 2013

Passie en weemoed

Waaraan Argentinië mij doet denken?

Aan de tango, naturalmente. En aan Che Guevara, si. De revolutionaire vrijheidsstrijder wiens portret wereldwijd miljoenen T-shirts en andere kledij siert, mag dan wel hebben gevochten voor Cuba, zijn roots lagen in de Zuid-Amerikaanse pampa's.

Evita Perón, de betreurde presidentsvrouw die - amper 33 lentes jong maar onmetelijk populair - in 1952 bezweek aan kanker: ook haar associeer ik met dat grote buurland van Chili. Ook al beleefde Evita haar hoogdagen 'ver voor mijn tijd', de musicalhit Don't cry for me, Argentina hoor ik als het ware zo uit haar strot komen.

Gabriela Sabatini: Argentijnse postergirl.
Nu ik het toch over schoon vrouwvolk heb, duikt Gabriela Sabatini weer op in mijn gedachten. Zij verdedigde in mijn jonge jaren de Argentijnse eer op menige tenniscourt. Als tiener in de jaren '80 waren er minder aangename verschijningen om naar te kijken. Als rasechte postergirl was zij toen hét exportproduct van haar land en als dusdanig de voorbode van de Maria Sharapova's van deze wereld (die, toegegeven, bij nader inzien een hoger pin-upgehalte hebben dan Sabatini, maar een met zijn hormonen worstelende puber is soms gauw tevreden).

Ander sporticoon van 'daar beneden' is Lionel Messi, de man die Pele stilaan van de troon stoot als beste voetballer aller tijden. Hij overtroeft ook zijn beruchte voorganger/landgenoot Maradonna, die op het WK van 1986 in Mexico tegen Engeland scoorde met een handsbal en die goal omschreef als gemaakt door "de hand van God".

En met die 'hand van God' zijn we bij eerwaarde Jorge Mario Bergoglio beland, voortaan aan te spreken als Zijne Heiligheid Franciscus I. "Ze zijn mij aan het andere eind van de wereld komen halen", zo sprak de 76-jarige aartsbisschop van Buenos Aires en kersverse paus tijdens de 'balkonscène' na zijn verkiezing. Ik hoop voor hem dat ze hem 'van hierboven' niet te snel komen halen. Dat hij de kans krijgt om van het door zijn voorganger gecreëerde precedent een traditie te maken zodat hij, wanneer hij zijn krachten voelt afnemen, ook 'ontslag neemt uit zijn ambt' en abdiceert. Dan kan hij nog wat van zijn laatste levensjaren gaan genieten in Buenos Aires, de stad van de goede luchten. 

Ik moet daar dringend eens naartoe, want 'goede luchten' zijn helend voor door jeuk getergde allergiepatiënten als ik. Al zal ik die buenos aires, gecombineerd met het opsnuiven van wat jodium, voorlopig aan onze Belgische kust moeten gaan zoeken - zo'n uitstapje is op korte termijn net iets makkelijker in te plannen dan een trip naar Patagonië.

In die gezonde lucht van aan de Noordzee een paar tangopasjes placeren, daar ga ik me niet meteen aan wagen, zelfs niet als ik me per se in Argentijnse sferen wil onderdompelen. Doe me dan maar een cd met deuntjes van Astor Piazzolla en zijn bandoneon, dé muzikale held van het thuisland van de nieuwe paus. Met een mix van passie een weemoed. Meer moet dat niet zijn.

zaterdag 19 januari 2013

'If I needed you'

If I needed you, would you come to me?
Would you come to me for to ease my pain?
And if you needed me, I would come to you
I would swim the seas for to ease your pain

Hoe schoon kan een simpel liefdesliedje eigenlijk zijn? Ik hoorde de cover van het Emmylou Harris en Don Williams-duet uit The Broken Circle Breakdown vanochtend nog eens op de radio (al heb ik het nummer sinds Kerstmis ook op cd - mede dankzij mij, en de lieve, gulle schenker aan wie ik de schijf te danken heb, is dat soundtrack-record van Titanic dus eindelijk van de tabellen geveegd).

Het lied doet me denken aan Bridge over Troubled Water, van Simon and Garfunkel. Man, wat heb ik die song grijsgedraaid in mijn jonge jaren.

I'll take your part when darkness comes
And pain is all around
Like a bridge over troubled water
I will lay me down

Liedjes over zielsverwanten, die elkaars pijn verzachten. Voor wie niets te veel is om elkaars demonen te verdrijven. Of om elkaars ambetante ongemakjes te bestrijden. Zoals jeuk, bijvoorbeeld. Want beter dan welke pil of zalf ook, helpen zachte handen tegen de pijnigende irritaties die mijn huid zo kwellen. Zachte handen van een zielsverwant. Van haar die ik gemeenzaam 'de liefste' noem. Zachte handen die zonder morren in stelling worden gebracht wanneer de krabnood het hoogst is.

Het is wat mij betreft al jaren proefondervindelijk bewezen: strelende vingers zijn veel helender dan krabbende nagels!

Als dat geen citaat is om ergens op een muur te schrijven...