Posts tonen met het label tuin. Alle posts tonen
Posts tonen met het label tuin. Alle posts tonen

zaterdag 4 december 2021

Groen

In haar jonge jaren poseerde ze op de obligate schoolfoto
nog tussen het groen. 
Dit stuk is geschreven naar aanleiding van de 80ste verjaardag van Simonne, mijn moeder. Ontdek onderaan deze tekst de links naar de zeven andere ukseltjes die ik voor haar schreef.

Ze zeggen dat tegenpolen elkaar aantrekken. Iedereen die ooit een onomstootbaar bewijs nodig zou hebben voor deze stelling, kan gerust bij mijn ouders terecht. Zij: een spraakwaterval (en dat is dan nog eerder eufemistisch uitgedrukt). Hij: een man van weinig woorden. Zij: een leider. Hij: een volger (en als dusdanig soms ook een lijder). Maar nauwelijks meer kunnen ze van elkaar verschillen als we 'liefde voor de natuur' als onderscheidend criterium zouden hanteren. Hij: een groot planten- en dierenliefhebber. Zij: iemand die 'groen' niet snel als favoriete kleur zal noemen (met andere woorden: ze krijgt er de uksels van).

De rolverdeling bij ons thuis was altijd klaar en duidelijk. Aan de bezittelijke voornaamwoorden die moeder hanteerde, kon iedereen meteen opmaken over welk deel van het huishouden en van de gemeenschappelijke goederen zij het bezit claimde én het beslissingsrecht opeiste. Moeder sprak bijvoorbeeld steevast over “mijn huis”, “mijn meubelen”, “mijn geld” en “mijn kinderen”. De tuin werd even consequent omschreven als “zijnen hof”.

Voor wie moeder niet kent, even deze verduidelijking: in haar taalwereld heeft het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord 'mijn' altijd enigszins andere consequenties gehad dan de hantering van de mannelijke tegenhanger 'zijn'.

Wanneer moeder sprak over “mijn huis”, dan wou dat zeggen

– dat zij te allen tijde kon en zou decreteren wat ermee moest of mocht gebeuren

– dat het onderhoud van het goed in kwestie kon of mocht worden uitbesteed aan een louter uitvoerende (en bij voorkeur niet tegenpruttelende) kracht, doorgaans de eigen levenspartner

Wanneer moeder sprak over “zijnen hof”, dan betekende dat ongeveer hetzelfde als wat hierboven staat omschreven, maar niet helemaal. Dat wil zeggen

– dat vader kon bepalen wat ermee moest of mocht gebeuren, maar met dien verstande dat moeder die beslissing te allen tijden kon herroepen.

– dat het onderhoud van het goed in kwestie nooit kon of mocht worden uitbesteed en al helemaal niet aan moeder

Om maar te zeggen: van tuinieren en planten en dieren heeft moeder nooit veel moeten weten. Als zij als gastcolumniste ooit een een tuinrubriek had moeten vullen in een of ander fancy vrouwenmagazine, dan had ze zich ongetwijfeld beperkt tot volgende handige tips:

– vermijd bomen

– vermijd bloemen

– vermijd planten

– vermijd dieren

– vermijd een tuin

Aan die groenfobie van moeder was voor vader al die jaren wel één voordeel verbonden: voor Valentijn heeft hij haar nooit bloemen hoeven te kopen.

---

Lees meer over de kleine kantjes en het grote hart van Simonne:

donderdag 2 mei 2013

Natuurlijke vijanden

Nee, in de tuin zitten, laat staan werken, is niet goed voor een allergiepatiënt. Het bevordert immers de 'uksels' en laat het nu net die veruitwendingen van innerlijke irritaties zijn die ik niet wil bevorderen. Niet!

Echter, wanneer op een vrije dag de warme zonnestralen langs de grote keuken- en livingramen het huis binnenglippen, en merels in de tuin druk doende zijn met het verzamelen van nestmateriaal (hoewel ze daarvoor zelfs, tot wanhoop van mezelf en mijn huisgenote, onze hevig paars bloeiende aubrietaplantjes uittrekken), kan ook ik niet aan de lentekriebels weerstaan. Ik steek dan enthousiast mijn groene vingers met de daaraan verbonden handen uit de mouwen, alle rondvliegend stuifmeel ten spijt. Al hebben we vooral pollenarme planten in de tuin en zijn de katjes van onze hazelaar stilaan uitgebloeid, een hooikoortslijder is in de open lucht nergens veilig voor zijn natuurlijke vijanden. Wat niet wil zeggen dat ik zwicht voor het gevaar. Ik trotseer het.

Een veldbloemenperkje leek ons een topidee.
Op wat snoei- en wiedwerk na, heb ik me op de Dag van de Arbeid onledig gehouden met het zaaien van veldbloemen. Omdat de lavendel elk jaar zo welig tiert aan de ene kant van de 'tuinrotonde' (het middelpunt van onze tuin, waar het tuinpadje rond onze bijna bloesemende sierappelaar loopt), wilden we een even fleurig maar nog kleurrijker alternatief aan de andere kant. En omdat we al zo veel onheilspellende berichten opvingen over de haast met uisterven bedreigde bijen- en vlinderpopulatie in onze contreien, vonden we een veldbloemenperkje een topidee (onder het alom gekende motto 'baat het niet, dan schaadt het niet want alle beetjes helpen en niet geschoten is altijd mis').

In afwachting dat die bloemen zich vanaf juni in volle glorie aan ons durven te vertonen, hebben we toch al enkele zoemende vliesvleugeligen gespot in onze tuin: op zoek naar gaten in de oude, blinde muur die de perceelsgrens met onze buren aangeeft - waardoor wij weer de investering van een bijenhotelletje kunnen uitsparen.

Onze klimhortenisa doet trouwens uitstekend zijn best om die muur te camoufleren. Zodra de hydrangea anomala petiolaris wat in dikte is toegenomen, plannen we daartussen één of meerdere nestkastjes op te hangen. Voor meesjes, als het even kan. Die zijn niet alleen mooi om naar te kijken, het zijn ook natuurlijke vijanden van door ons niet zo geliefde insecten. Niet dat we op dat vlak echt met een overschot kampen. Dankzij die andere insectenvijand: onze Robin. Dat is een dwergvleermuisje dat ondertussen alweer ontwaakt is uit zijn winterslaap en elke avond, bij de invallende schemering, onze tuin een bezoekje waardig acht, als was het een restaurant waar hij dagelijks zijn portie lekkernijen aantreft.

Voor alle duidelijkheid: behalve Robin en de nog aan te trekken mezen, blijven de ouwe getrouwe merels - die momenteel kokeneten spelen in onze paplaurierhaag - ook nog welkom. Zolang ze onze aubrieta maar met rust laten.

zaterdag 2 februari 2013

Huismus

Eén koolmeesje, een heggenmus, twee merels en een verdwaalde Turkse tortel. Dat is het voorlopig povere resultaat van een voormiddagje vogels tellen in onze tuin. Dat moest vandaag en morgen, zeiden ze bij Natuurpunt, vogels tellen. Tijdens het 'Grote Vogelweekend'.

Op de overigens puike website van de organisator van dit lovenswaardige evenement kun je een overzicht vinden van alle vogels die in je tuin kunnen opduiken. Inclusief de huismus. En laat ik nu net het gevoel hebben ooit te zullen reïncarneren als zo'n beestje. Omdat het thuis goed toeven, comfortabel wonen en liefdevol leven is.

Niet dat ik 'mijn kot' niet meer uitkom. Wel integendeel. Beroepshalve heb ik meer dan genoeg bezigheden om minstens zes dagen op zeven in de weer te blijven. Maar die paar weekavonden en weinige weekenddagen dat ik niet moet opdraven voor één van mijn jobs, kan ik met volle teugen genieten van het huismussenbestaan.

Als ik ooit voor één dag als huismus toch mijn vleugels zou mogen uitslaan om in een andere sector aan de slag te gaan, dan zou het in de wielerjournalistiek zijn. Met de wielermicrobe is het wat mij betreft zoals met eczeem: ik ben er erfelijk mee belast (langs vaderszijde). Voor één keer als reporter een belangrijke wedstrijd verslaan (geen kermiskoers, daarvoor kom ik mijn huismussenzetel niet uit)... Van start tot finish, van in de buik van het peloton, met de geur van rennerszweet en massageolie die mijn reukorgaan prikkelt... Ik zou er enkele heftige niesbuien voor over hebben.

In afwachting van zo'n once in a lifetime-kans blijf ik als huismus aan het televisiescherm gekluisterd bij elke 'wielermanifestatie' die naam waardig. Zoals het WK Veldrijden, bijvoorbeeld, al was het maar om de kriebels voor de start van het echte wielerseizoen, met klassiekers als de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix, wat te bedwingen.

Maar voor dat wereldkampioenschap cyclocross zo meteen van start gaat, blijf ik nog wat op de uitkijk staan. Om te zien of er zich in extremis toch niet wat meer gevleugelde biodiversiteit ontplooit tussen de door paplaurier, klimop en klimhortenisa afgezoomde groene mini-long die we onze tuin noemen.

De kwelvogel die een paar dagen geleden deze mini-long nog onveilig maakte, is hier in ieder geval niet meer te bespeuren. Samen met de laatste sneeuw is ook hij verdwenen. Net als de vele vruchten aan onze sierappelaar.

donderdag 24 januari 2013

Kwelvogel

Een kwelduivel had ik al (mijn jeukend eczeem, weet u wel), maar nu heb ik er ook een kwelvogel bij. 't Is te zeggen: onze tuin is een vliegend specimen rijker dat door mijn huisgenote tot kwelvogel is gedoopt.

De kwelvogel: zot van onze sierappeltjes.
Het gaat eigenlijk om een lijsterachtige, de turdus pilaris ofte kramsvogel. Eerlijk gezegd: ik had er nog nooit van gehoord en ik had er nog nooit eentje gezien. Tot een mooi, eerder voluptueus exemplaar zich een paar dagen geleden kwam vestigen in onze sierappelaar (het eerder frêle boompje in het midden van de tuin schenkt ons ook in winterse dagen wat kleur met zijn kleine, donkerrode vruchtjes).

Merels, ja, die zagen we al geregeld uit en onder de haag vandaan komen om tussen onze planten en struiken op zoek te gaan naar wat lekkers. In barre dagen duiken af en toe ook een roodborstje, een winterkoninkje en een paar koolmezen op - wanneer de eerste sneeuwvlokken vallen begint het bij mijn wederhelft steevast te kriebelen om dit soort donzige wezentjes te lokken met mezenbollen, al hebben die dit jaar veel van hun aantrekkingskracht verloren.

Maar een kramsvogel hadden we dus nog nooit gespot.

Sinds die turdus pilaris is neergestreken, is er van andere gevederde vriendjes nog nauwelijks sprake in onze tuin. De kramsvogel troont als een ervaren heerser in 'zijn' boompje dat hij als zijn persoonlijke uitkijkpost én voedselschuur beschouwt. De rode sierappeltjes gaan er bij hem in als zoete koek.

En o wee als er een andere vogel ook maar in de buurt durft te komen. Die wordt stante pede de levieten gelezen en van zijn recent (en zonder noemenswaardige tegenstand) veroverd territorium verjaagd. Deze telg van de lijsterfamilie gedraagt zich dus echt als een 'kwelvogel', een titel die hij wel als een geuzennaam lijkt te dragen.

Vanochtend zat er plots een hele zwerm kramsvogels in de tuin. Onze vriend had blijkbaar zijn familie uitgenodigd voor een (weliswaar kortstondig) appelfeestje. Zo kan ik het ook: trakteren met andermans fruit...