zondag 22 december 2013

Kleine meisjes worden groot

Seulement pour le plaisir des yeux. Zo heette de theaterproductie waarin ik voor het laatst acteerde - omdat de toneelmicrobe niet meer zo hard kriebelde.

Het was eind april 1999 en we speelden in de Gentse Tinnenpot.

Daar heb ik haar leren kennen. Als een van mijn medespeelsters. Als een klein meisje, nog. Amper 14 jaar. Zij uit Merchtem - waar ik tot dan in een theatergezelschap actief was - en ik uit Asse. Ik speelde taxi voor haar, om samen naar de repetities in de Arteveldestad te rijden. En ik zette haar nadien netjes thuis af.

Georges Perec
Seulement pour le plaisir des yeux was een bewerking van de imposante roman La vie mode d'emploi van Georges Perec (1936-1982). Het magnus opus van de Pools-Franse auteur is een verzameling van honderden verhalen van evenveel bewoners van een Parijs' appartementsgebouw. De jonge regisseur Katrin Verlende zette twaalf van die personages op scène. Om ze daar hun leven te laten inrichten. Om ze daar over hun leven te laten vertellen. Als in een micro-maatschappij, waarin iedereen vooral naast elkaar leeft.

Ik kroop voor de gelegenheid in en onder de huid van Adrien Jérôme, een uitgebluste schrijver die ooit succes had maar later de kost moest verdienen met het vertalen van kindergedichtjes. En zij, zij speelde een van de zusjes Breidel, de jongste bewoners van het pand, wier ouders waren vermoord.

Vorig jaar pas heb ik haar teruggezien. Ruim dertien jaar later - ondertussen was ze een volleerde actrice én zangeres geworden. Het was op tv, nota bene. In Iedereen Beroemd, de opvolger van het ongeëvenaarde Man Bijt Hond. Ze mocht het programma één dag per week uitgeleide doen. Met een ukeleleliedje.

En ik dacht: 'Kleine meisjes worden groot. En grappig.'

Ze heeft nu een heuse single uit. Met Nele Needs a Holiday, de meidengroep waarmee ze in 2010 al de jury van Humo's Rock Rally charmeerde. Háár meidengroep.

Nele maakt liedjes over gênante of eerder tragikomische situaties waar ze blijkbaar een patent op heeft (althans, dat wil ze ons toch doen geloven). Liedjes over dingen die mislopen. Over dingen die ze beter niet had gedaan. Zoals extreem opvallend uit de bol gaan, met - naar eigen zeggen - 'zeer subversieve danspassen', op een feestje waar dat niet echt wordt geapprecieerd.

Daar gaat haar recentste liedje over.

Of ik het clipje dat bij die single hoort, wilde delen op Facebook, vroeg ze. 'Ik zal dat eerst eens aandachtig en kritisch bekijken', dacht ik. En ik vond het hilarisch.

Maar u hoeft me niet op mijn woord te geloven. Oordeel zelf (en geneer u niet voor de plaatsvervangende schaamte: 't is maar om te lachen).

dinsdag 10 december 2013

Madiba

Madiba 1918-2013
Madiba is dood en begraven. Wereldleiders uit de vier windstreken brachten de eerste zwarte president van Zuid-Afrika nog een laatste eresaluut. En ik, ik moest tijdens de begrafenis van Nelson Mandela denken aan de eerste twee weken van december 2007. Toen zat ik met een bende jonge maar getalenteerde muzikanten zelf in Zuid-Afrika. Voor het Southern Wind-project, met een blank jeugdorkest van bij ons (Transpiradansa!) en zwarte zanger(e)s(sen) van ginder. 

Het werd een onvergetelijke trip. Al moest ik bij het heengaan van hét symbool van de strijd tegen de apartheid vaststellen dat de herinneringen aan dat prachtige land vol tegenstrijdigheden al serieuze vervagingsverschijnselen beginnen te vertonen.

Gelukkig heb ik van die orkestreis enkele dagboeknotities bijgehouden. Ik heb ze nog eens opgediept en doorgenomen. En het begon alweer te kriebelen om nog eens naar ginds af te reizen...

Tranpsiradansa! met Southern Wind

Aan de ene kant van de snelweg een nette wijk met relatief kleine maar mooie huizen, allemaal afgeschermd met een hek en - zoals in alle betere wijken - daarop de naam van de beveiligingsfirma die er de bewaking waarneemt. Aan de andere kant van diezelfde snelweg een krottenwijk, met in golfplaten opgetrokken barakken. Veel contrasterender kon het beeld bij het binnenrijden van Johannesburg nauwelijks zijn.

Een wolkbreuk die de straten in een mum van tijd blank zet. Meer zelfs: een regenval die zo hevig is dat een bruine waterstroom alle verkeer quasi onmogelijk maakt. Ook dat is Zuid-Afrika.

We ondervonden het bij ons bezoek aan het Ipelegeng-centrum in Soweto. Soweto is de South Western Township van Johannesburg waar de zwarte bevolking in de beginjaren van de Apartheid, bijna zestig jaar geleden, naartoe werd gedreven. Jo’burg was toen dé stad van de goudontginning. Zwarten werden er door de blanke industriëlen uitgebuit: ze moesten er werken in miserabele omstandigheden voor bijna geen geld. Van heinde en verre kwamen ze naar Johannesburg maar huisvesting kregen ze er aanvankelijk niet. Het ontstaan van de township was – hoe pover de behuizing ook – een resultaat van één van de vele sociale ‘struggles’ van de autochtone bevolking in de naoorlogse jaren.

Op weg naar Soweto hebben we eindelijk, het échte Zuid-Afrika gezien. Johannesburg is, let’s face it, een vrij westerse stad. Het is maar bij het verlaten van het centrum en het binnenrijden van de buitenwijken dat je het echte plaatje te zien krijgt. De barakken waarin de zwarten wonen, de kinderen die op straat spelen zonder westers of ander speelgoed, de mensen die noodgedwongen het grootste deel van de dag op straat doorbrengen, de armen die op de vuilnisbelt op zoek gaan naar nog bruikbare materialen, een huwelijk – jawel – dat door heel de wijk luidruchtig wordt meegevierd... We kregen het in nauwelijks een halfuur tijd allemaal voorgeschoteld.

We konden ter plekke uiteraard ook niet buiten twee musea over het meest verschrikkelijke deel van de recente Zuid-Afrikaanse geschiedenis...

We bezochten het Apartheidsmuseum. Van een aangrijpende belevenis gesproken. Met videobeelden, pancartes, beelden, verhalen en authentieke documenten, in een heel indrukwekkende setting, liepen we zo door enkele decennia van rassensegregatie én kregen we bovendien de historische achtergronden van een van de meest afschuwelijke politieke systemen van geïnstitutionaliseerd racisme voorgeschoteld. Onze zwarte zanger(e)s(sen) wilden niet mee naar binnen. "Een té emotionele belevenis", klonk het.

Nadien naar het Hector Peterson-museum gereden – na ruim een halfuur wachten omdat de straten zo goed als overstroomd waren. Alweer een beklemmende ervaring. De 13 jaar jonge knaap naar wie het museum werd genoemd, was maar één van de 565 jongeren die op 16 juni 1976 omkwam toen de politie het vuur opende op een massabetoging van zwarte scholieren. Die protesteerden tegen het feit dat ze hun lessen biologie, aardrijkskunde of wiskunde niet alleen in het Engels – voor hen, na onder meer het Zulu ook al een tweede taal – maar voortaan ook in het Afrikaans zouden krijgen (de taal die door de Nederlandse kolonisator al in de 17de eeuw in het zuiden van het zwarte continent
werd ingevoerd).

Internationals, nota bene - speelde zich een ontroerend moment af. Op een van de laatste nummers begon een oudere dame helemaal alleen voor het podium te dansen.

Mama Soweto
Toen we aan het eind van onze concertreis in een uitgeleefd zaaltje in de sloppenwijken van Soweto een concert mochten spelen - samen met de Vlaamse band

Onze dirigent kreeg er zowaar tranen van in de ogen. En ik, ik heb er een foto van genomen. En bij terugkomst, in ons koude Belgenlandje, heb ik er een liedtekst over geschreven, later nog ingezongen en opgenomen door onze Zuid-Afrikaanse vrienden. Want alleen zij konden zo goed de hoop vertolken in de blues van een song.



De blues is niet verdwenen met het afschaffen van de apartheid.
Met het heengaan van Madiba zal (hopelijk) ook de hoop niet verdwijnen.


Mama Soweto

A sunny Jo’burg
Soweto Sunday
When you were dancing
While we just played our song

Y’looked like the old girl
Who walks the Streets of London
With clothes as rags that fit in two bags
Like everything you own

Your flashy worn out sneakers
Never did take you elsewhere
Like fate did never lead you
to grief or to despair

So you keep dancing, Mama
As lonely as you do
And we’ll keep tryin’ to join you in chantin’:
“Amandla awethu” 


maandag 2 december 2013

Uit het oog verloren

De ene, die wou trucker worden. De andere: friturist.
Iemand droomde van IT. En ik werd journalist.

Het was eind juni en we voelden ons klaar voor wat de rest van ons leven zou worden. Het post-humanioraleven. Hét leven, kortom. Want dat zou nu pas echt gaan beginnen, dachten we. Al speelde dat leven zich vanaf dan voor iedereen toch op een iets andere plaats af: in het leger, op het bureautje van de eerste werkgever of, gewoon, op ietwat andere schoolbanken (die van hogeschool of universiteit), in veel grotere klaslokalen die ze 'aula's' noemden en met véél meer studenten dan er ooit in 'onze' kleine klasgroepjes hadden gezeten.

Hoe dan ook: het kriebelde om eraan te beginnen. Aan weet-ik-veel wat. Zolang het maar elders was. Want we wilden uitzwermen. Uitvliegen. De vleugels strekken. Weg van waar we zaten (wisten wij veel dat we toch nog zouden te maken krijgen met de onontkoombaarheid van het bekende cliché, dat we de eens zo verguisde schooljaren later 'de schoonste tijd van ons leven' zouden noemen).

Om de leerkrachten van toen gerust te stellen: we zijn allemaal aan 'iets' begonnen. En we zijn allemaal 'iets' geworden. Van immoman tot airhostess. Van huisvrouw tot secretaresse.

Pas 26 jaar na datum hebben we dat voor het eerst kunnen vaststellen. Ruim een kwarteeuw nadat we als 18-jarigen de schoolpoort achter ons hoorden dichtslaan.

6ST, Zellik, 1986-1987. 
'Het klasje is bijna volledig / de foto is wel wat vergeeld' zong Johan Verminnen al in 1984. Het had de soundtrack van onze klassenreünie kunnen zijn, afgelopen weekend...

De klassenreünie van 6ST en 6BI. Van het Gemeentelijk Instituut voor Secundair Onderwijs in Zellik. Afstudeerjaar 1987 - nog geen tien jaar later zou de school ophouden te bestaan. 

Ondanks die paar kilootjes meer hier en daar - of die bril die in vervlogen tijden nog niet op onze neus stond - zagen we er met z'n allen nog goed uit, vonden we. Niet dat we dat met zo veel woorden hebben gezegd; het leek meer op een stilzwijgende overeenkomst die met algemeenheid van stemmen als goedgekeurd werd beschouwd.

5BI, Zellik, 1985-1986.
Veertigers, ondertussen, van wie sommigen met kinderen die al ouder zijn dan wij waren, de dag dat we elkaar uit het oog verloren.

Veertigers, ondertussen, en dus zelf al ouder dan heel wat van die leraressen toen die in de klas voor onze jeugdige neus stonden - en in onze (puber)ogen 'oude madammen' waren. We weten nu wel beter.

Veertigers, ondertussen, met eigen levens die zich, op een enkele uitzondering na, nog dicht rond de spreekwoordelijke kerktoren afspelen. Honkvast als we blijkbaar zijn. Van dat uitvliegen en uitzwermen is dus niet veel terecht gekomen. Alvast niet in letterlijke zin.

Het klasje was bijna volledig, de foto inderdaad vergeeld. Maar de ambiancemakers van toen, bleken ook nu nog de grapjassen van dienst. De zotte doos van vroeger had nog altijd even veel deugnieterij in de ogen. En de stille meisjes van weleer genoten ook tweeëneenhalf decennium later nog steeds van aan de zijlijn, zonder er veel woorden aan vuil te maken.

Ten afscheid hebben we onze geloften hernieuwd. Dat we nog eens zouden afspreken. Dat we het niet bij deze ene gelegenheid zouden laten.

En dat het nu geen 26 jaar meer zou duren.

zondag 24 november 2013

Partners in crime

't Is niet dat ik een echte taalpuritein ben, maar als er iets is waar ik de vliegende uksels van krijg, dan is het wel de toenemende insijpeling van Engelse termen in het Nederlands. Vooral omdat we ons te vaak als luie taalgebruikers gedragen: we doen nauwelijks nog de moeite om te zoeken naar bestaande - laat staan: nieuwe - Nederlandse (of Vlaamse) equivalenten voor die woorden die ons hoofdzakelijk vanuit een Angelsaksisch geïnspireerde wereldeconomie door de strot worden geramd. 

Omdat iemand het initiatief moet nemen om die trend te keren, ben ik gestart met een diepgaand onderzoek naar mogelijkheden om het Engels radicaal uit onze taal te bannen.

Ik heb daarom op basis van eigen research een swot-analyse gemaakt en dankzij de input van een aantal senior managers heb ik een draft gemaakt van de agenda voor een kick-off meeting van een project ter zake, met op het to-do-lijstje een aantal issues die al in de pipeline zitten en waarop we dan kunnen focussen.

Hopelijk moeten we dat niet meer cancelen omdat iemand moet babysitten op de kids want anders is het weer doodelen geblazen voor een nieuwe date en dat zal niet makkelijk zijn om die nog te schedulen.

De eerste twee items dat is echt peanuts, die kunnen we misschien nog skippen of uitstellen tot na de break, want anders gaan we een bottle neck creëren. Maar de brainstorm is geen business as usual: die is echt belangrijk om eens out-of-the-box te denken.

Op basis van de output van dat proces kunnen we dan een checklist maken en die in een format gieten en op een website plaatsen. Ik kan ook een powerpointje publiceren met handoutsDan kan iedereen dat mits een beetje te scrollen gewoon downloaden en eventueel printen. We kunnen ook een app ontwikkelen voor iPad en smartphones.

De results zou ik dan op Facebook zetten waar iedereen ze kan liken of sharen. Dan kunnen we zelf even een time-out nemen en wachten op eventuele feedback. Al is dat misschien not done?

Anyway, de behandeling van de uiteindelijke content: die zou ik outsourcen. Daarvoor kunnen we een aantal junior employees aanwerven, maar of dat mogelijk is moet ik nog eens checken bij human resources, want misschien is dat wishful thinking.

Fans van deze aanpak mogen via deze blog gerust laten weten of ze dit voorstel okay vinden want ik ben nog op zoek naar een aantal partners in crime...

zaterdag 31 augustus 2013

De helaasheid der littekens

Een jonge papa leert zijn zoontje fietsen op twee wielen.
Het jongetje heeft een opvallende afwijking naar links.
Hij belandt steevast in het maïsveld.
Dat maakt dat hij wel zacht valt.
En dat hij er geen littekens aan overhoudt.

De beruchte Strobbe-broers die in film én boek
hun Aalsters dorp onveilig maken.

Het is een simpele maar ook pakkende en symbolisch veelzeggende scène die de film De helaasheid der dingen afsluit. De prent schetst een hilarisch maar tegelijk schrijnend beeld van de rauwe onderbuik van de samenleving in en rond de stad der Ajuinen, waarin de (fictieve) schrijver Gunther Strobbe - alter ego van auteur Dimitri Verhulst - opgroeide. De superlatief van 'marginaal' is, zo blijkt, niet voor niets 'margin-Aalst'.

Waar hij zelf zwaar getekend is door zijn armoedige jeugdjaren en het rijkelijk met bier overgoten milieu waarin hij is opgegroeid, doet het hoofdpersonage zijn nochtans niet gewenste zoon (en meteen ook het verhaal) uitgeleide door hem op twee wielen te leren fietsen. Hoewel de schrijver zelf jaren eerder zonder veel medelijden - met meer slaag dan eten - in de dieperik van het echte leven werd geduwd, behoedt hij zijn eigen bloed enkele tientallen jaren later voor al te veel valpartijen en bijhorende littekens.

Zelf heb ik weinig of geen littekens aan mijn jeugd overgehouden. Letterlijk noch figuurlijk. Mijn huid bleef jarenlang - op de vele eczeemkloven en krabwonden na - ongeschonden.

Het kofferdeksel heeft me genekt.

Tot ik vier jaar geleden op een maandagmorgen, bij terugkomst van een folky zomerfestival in de Westhoek, iets uit de koffer van mijn Chrysler PT Cruiser haalde. Nog enigszins verdwaasd door de ochtendlijke vroegte en de roes van het geslaagde muzikale weekend, klopte ik het hoge kofferdeksel dicht, niet goed beseffend dat ik er zelf nog gedeeltelijk onder stond. Gevolg: een hevig bloedend gat in mijn voorhoofd dat met enkele draadjes moest worden gehecht.

Het litteken zit ondertussen gelukkig grotendeels verscholen in één van de zich snel voortplantende rimpels onder mijn al lang verdwenen haarlijn.

Pijn doet het niet meer. Het ukselt wel nog af en toe.

woensdag 24 juli 2013

Een zweterige zwanenzang

Karel Waeri (1842-1898).
Een zomerdag met tropische temperaturen is niet meteen het uitgelezen moment om je terug te trekken in een snikheet theaterzaaltje. Tenzij het Gentse Feesten zijn, dat zaaltje de Minard is, en een vriend van jaren er een voorstelling speelt. Over Koarelke Waeri (1842-1898), een Gentse volkszanger met een nalatenschap van ruim 500 liederen, waaronder heel wat 'vuile' en 'vettige' (in Waeri's thuishaven 'vetjes' genoemd). Dat 'rode oortjes'-repertoire bewaarde hij tijdens zijn optredens steevast voor de late uurtjes; na zijn dood werden ze (uit schroom) in een apart bundeltje verzameld en verkocht.

Acteur en muzikant van dienst: Wim Claeys. De trekzakspeler die eind jaren negentig met Ambrozijn als meedogenloze nieuwlichter het stof van de Vlaamse volksmuziek blies. De Boombal-bedenker die met zijn vuile maar getalenteerde voeten een geactualiseerd spoor trok door de toenmalige balscene en zo de weg wees aan een nieuwe generatie jongeren die de de folk en de bijhorende danstraditie ontdekte. De folkmodernist is echter nooit de 'wegbereiders' van weleer vergeten: met het vorderen der jaren lijkt ook zijn respect voor het muzikale erfgoed te zijn toegenomen.

Wim vervelde van muzikant
tot cabaretier.
Wim vervelde de jongste jaren zoetjesaan tot een cabaretier, wat niet mag verwonderen: bij Ambrozijn voelde hij zich ook al geroepen de grapjas uit te hangen en het publiek tussen de nummers door menig blaasken wijs te maken. "Het heeft er altijd al in gezeten, madame."

Hadden we na Wims eerste onemanshow Niet tevreden, geld kwijt nog zoiets van 'schoenmaker blijf bij je leest', na het zien van De zwanenzang van Karel Waeri kan de Gentenaar wat ons betreft zijn theatertoekomst met een pak meer vertrouwen tegemoet zien.

Het Waeri-standbeeld van Walter De Buck.
Anderhalf uur lang kruipt de prille veertiger in de huid van de legendarische volkszanger aan wie de al even vermaarde strop Walter De Buck bijna 15 jaar geleden een ruim 5 meter hoog robuust beeldhouwwerk wijdde. Dat staat sindsdien in de Arteveldestad te pronken naast de Sint-Jacobskerk: bovenop de massieve, granieten zuil pronkt vioolspeler Waeri, met onder zich, in hoogreliëf, de kenmerkende figuren die zijn liedjes bevolkten. Miljoenen mensen liepen er al straal voorbij. Wij deden na de opvoering met plezier een klein omwegje om er nog even, letterlijk, bij stil te staan. Op vraag van Wim Claeys, trouwens.

Die had genoeg aan een oud vloerkleed als speelvlak, een tafeltje, een stoel en een kastje met zijn instrumenten om vorm te geven aan het beperkte universum dat het bescheiden leven van Karel Waeri in de tweede helft van de 19de eeuw verbeeldde. Geboren in een arm gezin van wevers, in een van de vuilste buurten van het Gent van die tijd, mag het niet verbazen dat Koarelke het in al zijn liederen consequent opneemt voor de zwaksten in de maatschappij.

Net als het rijke oeuvre van Waeri is het programma dat Wim Claeys er over maakte één langgerekt protestlied tegen de twee grote K's tegen wiens schenen ook vandaag, zo'n 150 jaar na Waeri's beginjaren als kritisch volkszanger, nog gretig wordt geschopt: de Kerk en het Kapitaal. Dat maakt de voorstelling, voor de goede verstaander, nog brandend actueel.

Net zo min als een pompeus decor heeft de acteur/auteur veel changementen nodig om, af en toe, uit zijn Waeri-rol te stappen en vervolgens als verteller de vrij korte en dramatisch afgebroken levensloop van zijn alter ego te duiden. Hij hoeft daarvoor alleen maar zijn brilletje af te zetten en tijdelijk afstand te doen van zijn plat-Gentse tongval.

In die eerder minimalistische aanpak herkenden we alvast de hand van Mich Walschaerts, een van de Kommil Foo-broers. Hij slaagde er als coach in om van de muzikant Wim Claeys ook een acteur te maken. Eén die de humor die hem eigen is, durft te combineren met gedoseerde ontroering. Waeri was daar ook een virtuoos in, al bediende hij zich in zijn liedjesteksten net zo graag van bijtend cynisme en een vleugje ironie.

Die liedjes werden door de 19de-eeuwse volkszanger naar verluidt vertolkt met een krijsende neusstem en een krassende viool. Dan doet Wim Claeys het beter: met de hem vertrouwde diatonische accordeon ontpopt de instrumentalist van weleer zich tot een meer dan verdienstelijk vertolker van het oude repertoire (dat hij nota bene nog gedeeltelijk van nieuwe muziek voorzag, volledig in de stijl van de jaren stillekes).

De zwanenzang van Karel Waeri is een voorstelling die, door haar eenvoud, nooit zwaar wordt, hoewel de referenties aan de miserie en de uitbuiting van de textielarbeiders in het midden van de jaren 1800 niet van de lucht zijn. Het is een voorstelling die, ondanks de plezante luchtigheid waarmee ze is gebracht, blijft plakken. Net als het zweet van die zomerdag met zijn tropische temperaturen - de daardoor veroorzaakte uksels hebben we er voor één keer graag bij genomen.

donderdag 20 juni 2013

Spekvet en balein

Het was mei 2001. Ik lag op mijn bed in de huiskamer - ik zou er, met een hernia als boosdoener, negen weken aan gekluisterd blijven, mijn benen in een hoek van 90 graden op een stapel kussens gelegd, de achterdeur permanent open zodat bezoekers niet aan de voordeur hoefden aan te bellen en ik niet om de haverklap mijn bed uit moest. Talloze films heb ik toen bekeken, me toegestopt door vrienden. Tot vervelens toe. Om die ruim zestig dagen zonder al te veel verveling door te komen. Ik wou van pure frustratie om zoveel gedwongen onbewogenheid de muren opkruipen, al was zelfs dat me niet gegund, gezien mijn verplicht horizontale toestand.

Het was mei 2001. Ik lag op mijn bed in de huiskamer en twee muzikale vrienden kwamen zoals afgesproken langs de achterdeur binnen. De ene had ik midden jaren negentig als mondharmonicaspeler leren kennen via het kleinkunstgroepje waarmee ik af en toe optrad, de andere kende ik voordien vooral als leraar en begaafd pianist.

We hebben toen samen een lied gecomponeerd. Iets wat we als afsluiter konden gebruiken voor het humoristisch programma dat in juni van dat jaar in première zou gaan. We hadden op dat moment nog niet het vermoeden, laat staan de ambitie, om er meer dan een decennium later nog mee bezig te zijn.

Een pianist en een presentator: meer heeft een Taalsmid-panel niet nodig.
De Taalsmid. Zo doopten we onze show. Losjes geïnspireerd op het toenmalige populaire tv-programma De Rechtvaardige Rechters dat we lang niet zo geslaagd vonden als zijn gelijknamige voorganger op de radio. Onder het motto Alles kan beter (nog zo'n legendarisch, kolderesk tv-programma, van en met Mark Uytterhoeven) gingen we, niet gehinderd door enige bescheidenheid, dan maar zelf aan de slag. Met een vierkoppig panel, een pianist en een professionele presentator.

Grappen en liedjes maken met en over de actualiteit en de BV's en andere beroemdheden die erin opduiken, daarbij gezwind zwierend met wonderlijke woordspelingen en tegelijk menig dubbele taalbodem verkennend: zo kan je de onszelf opgelegde opdracht het best omschrijven.

Het maken van De Taalsmid werd voor ons een aangename verslaving, de voorstellingen zelf werden een instant publiek succes. Dat noopte ons al snel tot het inlassen van twee opvoeringen per show en, tot aan de tiende editie, van twee nieuwe shows per jaar. Maar in 2005 gaven we de pijp aan Maarten, legden we er het bijltje bij neer en gooiden we de handdoek in de ring. Kwestie van het concept niet uit te melken, van niet in herhaling te vallen, van in schoonheid te eindigen.

Tot nog eens vijf jaar later "de goesting bleef kriebelen en bomma's recepten tegen kriebelende jeuk uitgeput raakten", dixit het persbericht dat in 2010 werd verspreid naar aanleiding van De Taalsmid come(t)back.

Eind november dit jaar zijn we al aan de veertiende editie toe (momenteel al druk gepromoot op Facebook).

Van waar we onze inspiratie blijven halen? Die wordt ons dagelijks haast op de schoot gebracht - al dan niet afgeluisterd door Obama - vanuit de Wetstraat en het paleis van Laken, getransporteerd door de Fyra, indien nodig per express geleverd dankzij de Walibi-voorsteekpas.

En toch is taalsmeden vooral hard werken. De betreurde Nederlandse auteur Gerrit Komrij beschreef het woordengeworstel, waartoe wij onszelf jaarlijks veroordelen, ooit treffend in een gedicht met een voor ons wel heel herkenbare titel:

De Taalsmid

De klinker en de medeklinker zijn
De weke onderbuik en het korset
Dichter is hij die, schijnbaar zonder pijn,
Het vormeloze in de steigers zet.

Zijn woorden, corpulent of slank van lijn,
Verenigen zich vloeiend tot couplet.
De moeiteloosheid, niet het rookgordijn,
Is zijn geheim. Met taal gaat hij naar bed.

De taal, van A tot Z, is zijn fles wijn.
Halfdronken wordt er, zomaar voor de pret,
Een kind verwekt, een epos of kwatrijn,

Of iets daartussenin, zeg een sonnet,
Terwijl de lezer onbekend blijft met
Zijn worsteling met spekvet en balein.

Het was mei 2001. Ik lag op mijn bed in de huiskamer, te veel spekvet kwekend door dat probleem met een van de 'baleinen' in mijn rug. Twee muzikale vrienden kwamen zoals afgesproken langs de achterdeur binnen.

Twaalf jaar later zijn de twee vrienden er nog. Net als het gezamenlijk gecomponeerde lied en het programma waarvoor het bedoeld was.

En ook het spekvet is gebleven.